|
Wel
Annemarieke waar ga je naar toe?
Wel Annemarieke waar ga je
naar toe?
Wel Annemarieke waar ga je naar toe?
Ik ga naar buiten naar de soldaten.
Hopsasa, faldera, Annemarie.
Wel Annemarieke wat gaat gij daar doen?
Wel Annemarieke wat gaat gij daar doen?
Haspen, spinnen, soldaatjes beminnen!
Hopsasa, faldera, Annemarie.
Wel Annemarieke hebt gij er geen man?
Wel Annemarieke hebt gij er geen man?
Heb ik geen man, ik krijg dan geen slagen!
Hopsasa, faldera, Annemarie.
Wel Annemarieke hebt gij er geen kind?
Wel Annemarieke hebt gij er geen kind?
Heb ik geen kind, ik moet dan niet zorgen.
Hopsasa,faldera, Annemarie.
Wel Annemarieke hebt gij er geen lief?
Wel Annemarieke hebt gij er geen lief?
Ik heb er niet een, ik heb er wel zeven!
Hopsasa, faldera, Annemarie.
Zeg
boer waar is jouw vrouw?
Zeg boer waar is jouw vrouw?
Zeg boer, waar is jouw Zeeuwse vrouw?
Van je hoplala, van je hoplala.
Zeg boer waar is jou vrouw?
Mijn vrouw is in de schuur.
Mijn vrouw is in de schuur, ja, ja.
Van je hoplala, van je hoplala.
Mijn vrouw is in de schuur.
Wat doet zij in die schuur?
Wat doet zij in die schuur, ja, ja?
Van je hoplala, van je hoplala.
Wat doet zij in die schuur?
Daar mellekt zij de koe.
Daar melkt zij de koe, ja, ja.
Van je hoplala, van je hoplala.
Daar mellekt zij de koe.
Wat doet zij met die melk?
Wat doet zij met die melk, ja, ja?
Van je hoplala, van je hoplala.
Wat doet zij met die melk?
Die verkoopt zij langs de deur.
Die verkoopt zij langs de deur, ja, ja.
Van je hoplala, van je hoplala.
Die verkoopt zij langs de deur.
Wat krijgt zij daar dan voor?
Wat krijgt zij daar dan voor, ja, ja?
Van je hoplala, van je hoplala.
Wat krijgt zij daar dan voor?
Daar krijgt zij voor veel geld.
Daar krijgt zij voor veel geld, ja, ja.
Van je hoplala, van je hoplala.
Daar krijgt zij voor veel geld.
Wat doet zij met dat geld?
Wat doet zij met dat geld, ja, ja?
Van je hoplala, van je hoplala.
Wat doet zij met dat geld?
Daar koopt zij voor een kind.
Daar koopt zij voor een kind, ja, ja.
Van je hoplala, van je hoplala.
Daar koopt zij voor een kind.
Wat doet zij met dat kind?
Wat doet zij met dat kind, ja, ja?
Van je hoplala, van je hoplala.
Wat doet zij met dat kind?
Dat stuurt zij naar de school.
Dat stuurt zij naar de school, ja, ja.
Van je hoplala, van je hoplala.
Dat stuurt zij naar de school.
Wat leert dat kind op school?
Wat leert dat kind op school, ja, ja?
Van je hoplala, van je hoplala.
Wat leert dat kind op school?
Het leert het A.B.C.
Het leert het A.B.C., ja, ja
Van je hoplala, van je hoplala.
Het leert het A.B.C.
Al
die willen.
Al die willen te kaap'ren varen,
moeten mannen met baarden zijn!
Jan, Pier, Joris en Korneel,
die hebben baarden, die hebben baarden!
Jan, Pier, Joris en Korneel,
die hebben baarden:
zij varen mee!
Wordt
wakker, 't zonnetje is al op
Wordt wakker, 't zonnetje
is al op.
De bloemen kijken uit hun knop.
De vlugge leeuwerik zingt al lang,
de zwaluw tsjilpt haar morgenzang.
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker!
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker!
Het duifje strijkt zijn
veertjes glad.
En trippelt vrolijk over 't pad.
De haan kraait voor de tweede keer.
't Is alles buiten in de weer.
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker!
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker!
Daar
was eens een meisje loos
Daar was eens een meisje loos
Zij wou gaan varen, zij wou gaan varen
Daar was eens een meisje loos,
Zij wou gaan varen als lichtmatroos.
Zij moest klimmen in de mast,
maken de zeilen, maken de zeilen,
zij moest klimmen in de mast,
maken de zeilen met touwtjes vast.
Maar door storm en tegenweer,
sloegen de zeilen, sloegen de zeilen,
maar door storm en tegenweer,
sloegen de zeilen van boven neer.
Och, kapteintje, sla me niet,
ik ben uw liefje, ik ben uw liefje.
Och, kapteintje, sla me niet,
ik ben uw liefje, zoals u ziet.
Zij moest komen in de kajuit,
kreeg een pak ransel, kreeg een pak ransel.
Zij moest komen in de kajuit,
kreeg een pak ransel, en toen was het uit.
Torentje,
torentje bussekruit
Torentje, torentje
bussekruit!
Wat hangt er uit?
Een gouden fluit,
een gouden fluit met knopen!
Torentje is gebroken!
Onder
hele hoge bomen
Onder hele
hoge bomen,
in een groot kabouter bos,
staat een heel klein aardig huisje,
zomaar midden op het mos.
'k Zou er best in willen wonen,
maar ik ben toch veel te groot.
't Is gemaakt voor de kabouters,
met hun jas en mutsje rood.
Als het donker is geworden,
is het helemaal niet naar,
want dan zitten de kabouters
heel gezellig bij elkaar.
Ieder zit dan op een stoeltje,
met een kaarsje in z'n hand,
en dan zijn er zoveel lichtjes
in kaboutersprookjesland.
Elsje
Fiederelsje
Elsje
fiederelsje, zet je klompjes bij 't vuur
Moeder bakt pannenkoeken maar het meel is zo duur
Tingelingelinge pannenkoek, meel en rozijnen
Tingelingelinge pannenkoek, kom op bezoek
A B C
A B C, de kat gaat mee,
De hond blijft thuis,
Piep, zei de muis in 't voorhuis.
De
Zevensprong
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
Heb je wel gehoord van de zevensprong ?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan.
Ik kan dansen als een edelman.
Dat is één ...
Dat is twee ....
Dat is drie ....
Dat is vier ....
Dat is vijf ....
Dat is zes ....
Dat is ze - e - ven!
|