Kinderliedjes Pagina 7

Dikkertje Dap 

Dikkertje Dap, klom op de trap, 
's morgens vroeg om kwart over zeven, 
om de giraf een klontje te geven. 
Dag giraf, zei Dikkertje Dap 
weet je wat ik heb gekregen? 
Rode laarsjes voor de regen. 
't Is toch niet waar? zei de giraf, 
Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje ik sta paf. 

O, giraf, zei Dikkertje Dap, 
'k moet je nog veel meer vertellen: 
Ik kan al drie letters spellen. 
A, B, C, is dat niet knap. 
Ik kan ook al bijna rekenen, 
ik kan mooie poppetjes tekenen. 
Lieve deugd, zei de giraf, 
kerel, kerel, kerel, kerel ik sta paf. 

Zeg giraf, zei Dikkertje Dap, 
mag ik niet eens even bij je 
stiekem van je nek af glijden? 
Zo maar eventjes voor de grap? 
Denk je dat de grond van Artis 
als ik neerkom heer erg hard is? 
Stap maar op, zei de giraf, 
stap maar op en glij maar af! 

Dikkertje Dap, klom van de trap, 
met een griez'lig grote stap. 
Op de nek van de giraf. 
Zette Dikkertje zich af... 
Roetsjj, daar gleed hij met een vaartje 
tot het eindje van het staartje. 
Boem! Au! Dag giraf, zei Dikkertje Dap, 
morgen kom ik toch weer hier met de trap.

 

Aapje wou eens lollig zijn

Een aapje wou eens lollig zijn 
hij beet in de neus van de kapitein 
de kapitein werd vreselijk boos 
en stopte de aap in de poederdoos 

De poederdoos was veel te wit 
hij stopte de aap in de kolenkit 

De kolenkit was veel te vies 
Hij stopte de aap in het theeservies 

Het theeservies was veel te mooi 
Hij stopte de aap in de apekooi 

Het deurtje ging weer open 
aapje kon weer lopen. 

 

Daar liep een oude vrouw op straat 

Daar liep een oude vrouw op straat 
Jutekei, jutekei, jutekeisasa 

Ze had haar rode mutsje op 
Jutekei, jutekei, jutekeisasa 

En waar die oude vrouw ook liep 
vergat ze haar mutsje niet 
Jutekei, jutekei, jutekeisasa, jutekeisasa.

 

Appeltje hoog in de boom 

Appeltje, appeltje, hoog in de boom 
Val alsjeblieft op de grond 

Appeltje, appeltje, kom maar bij mij 
Want je bent heel gezond 

En valt er soms nog een klein appeltje mee 
Dan is dat niet erg hoor - ik lust er wel twee 

Appeltje, appeltje, hoog in de boom 
Val alsjeblieft op de grond.

 

Autobus toet toet

Autobus toet toet
Autobus toet toet 
We wachten nu al zeker een kwartier. 
Kom je JA of kom je NEE. 
We willen met z'n alle met je mee. 
Toet toet. 

 

Keteltje, dik van buik 

Keteltje, dik van buik 
Dit is mijn oor 
En dit is mijn tuit 
Als het water kookt 
Dan roep ik luid 
Til me op en schenk me uit.

 

Zie de boerin met de rokjes zwaaien 

Zie de boerin met de rokjes zwaaien, rokjes zwaaien, 
van je één, twee drie (2x) 
Zie de boerin met d'r hoofdje draaien, hoofdje draaien, 
van je één, twee drie (2x) 
Zie de boerin in de plassen stampen, plassen stampen, 
van je één, twee drie (2x). 

 

In de kelder is het donker

In de kelder is het donker,
waarom moet het donker zijn,
in de heldere maneschijn?
An-na Ma-ri-a, koek-koek!

 


Daantje zou naar school toe gaan

Daantje zou naar school toe gaan,
Maar hij bleef gedurig staan.
Hier te kijken, daar te turen.
En het kan niet lang meer duren.
Dan zal 't klokje negen slaan.
Jongen, jongen, stap toch aan!

Daatje bleef te lang op straat.
Daantje kwam in school te laat.
Daarom moest hij 's middags blijven.
En een hele lei vol schrijven.
And'ren speelden, Daantje niet!
Jongen, jongen, wat verdriet!

 

Slaap kindje slaap 

Slaap, kindje slaap. 
Daar buiten loopt een schaap. 
Een schaap met witte voetjes, 
dat drinkt zijn melk zo zoetjes. 
Slaap, kindje slaap. 
Daar buiten loopt een schaap.

 

Dat gaat naar Den Bosch toe

Dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve Gerritje. 
Dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve meid. 

Wat zullen wij daar drinken?
Zoete lieve Gerritje. 
Wat zullen wij daar drinken?
Zoete lieve meid. 

Brandewijn met suiker, 
zoete lieve Gerritje. 
Brandewijn met suiker,
zoete lieve meid. 

Wie zal dat betalen?
Zoete lieve Gerritje. 
Wie zal dat betalen?
Zoete lieve meid.

De eerste boer de beste,
zoete lieve Gerritje.
De eerste boer de beste,
zoete lieve meid.

De uil zat in de olmen

De uil zat in de olmen,
bij 't vallen van de nacht. 
En achter gindse heuvel, 
de koekoek roept heel zacht:
Koe-koek! Koe-koek!
Koe-koek, Koe-koek Koe-koek!
Koe-koek! Koe-koek, Koe-koek!

 

Wij hebben twee kleine poesjes

Wij hebben twee kleine poesjes, 
met pootjes zo zacht als fluweel. 
Het grijsje dat noemen we Bobbie, 
die andere dikzak heet Neel, 
Die andere dikzak heet Neel. 

Laatst waren ze nergens te vinden.
Toen zijn we aan het zoeken gegaan. 
We keken in alle hoeken.
Waar kwamen ze denk je vandaan? (bis)

Wit Neeltje zat in de turfmand, 
en Bobbie lag bij't popje in bed. 
We namen ze gauw mee naar binnen, 
en rolden haast om van de pret.(bis)

 

Klein vogelijn, op groene tak 

Klein vogelijn, op groene tak,
wat zingt g'een lustig lied!
Wij hebben in ons hele boek 
zo'n vroolijk wijsje niet ! 
O zeg ons, zeg ons aardig beest, 
wie toch uw meester is geweest.
O zeg ons, zeg ons aardig beest, 
wie toch uw meester is geweest. 
 

Zo zuiver zingt gij en zo hoog,
zo keurig in de maat. 
En 't hart, dat popelt ons van vreugd,
wanneer uw keeltje gaat.
O zeg ons, zeg ons aardig beest, 
wie toch uw meester is geweest.(bis)
 

Voorzeker 't is de goede God 
die 't u heeft toebetrouwd,
opdat zij aan der blinden oor,
Zijn goedheid melden zoudt.
O ja, wij weten 't aardig beest,
dat God uw meester is geweest.(bis)

 

Klikspaan, boterspaan

Klikspaan, boterspaan.
Je mag niet door mijn straatje gaan. 
Het hondje zal je bijten,
Het poesje zal je krabbelen.
Dat komt van al je babbelen.