|
Dikkertje Dap
Dikkertje Dap, klom op de trap,
's morgens vroeg om kwart over zeven,
om de giraf een klontje te geven.
Dag giraf, zei Dikkertje Dap
weet je wat ik heb gekregen?
Rode laarsjes voor de regen.
't Is toch niet waar? zei de giraf,
Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje ik sta paf.
O, giraf, zei Dikkertje Dap,
'k moet je nog veel meer vertellen:
Ik kan al drie letters spellen.
A, B, C, is dat niet knap.
Ik kan ook al bijna rekenen,
ik kan mooie poppetjes tekenen.
Lieve deugd, zei de giraf,
kerel, kerel, kerel, kerel ik sta paf.
Zeg giraf, zei Dikkertje Dap,
mag ik niet eens even bij je
stiekem van je nek af glijden?
Zo maar eventjes voor de grap?
Denk je dat de grond van Artis
als ik neerkom heer erg hard is?
Stap maar op, zei de giraf,
stap maar op en glij maar af!
Dikkertje Dap, klom van de trap,
met een griez'lig grote stap.
Op de nek van de giraf.
Zette Dikkertje zich af...
Roetsjj, daar gleed hij met een vaartje
tot het eindje van het staartje.
Boem! Au! Dag giraf, zei Dikkertje Dap,
morgen kom ik toch weer hier met de trap.
Aapje wou eens lollig zijn
Een aapje wou eens lollig zijn
hij beet in de neus van de kapitein
de kapitein werd vreselijk boos
en stopte de aap in de poederdoos
De poederdoos was veel te wit
hij stopte de aap in de kolenkit
De kolenkit was veel te vies
Hij stopte de aap in het theeservies
Het theeservies was veel te mooi
Hij stopte de aap in de apekooi
Het deurtje ging weer open
aapje kon weer lopen.
Daar liep een oude vrouw op straat
Daar liep een oude vrouw op straat
Jutekei, jutekei, jutekeisasa
Ze had haar rode mutsje op
Jutekei, jutekei, jutekeisasa
En waar die oude vrouw ook liep
vergat ze haar mutsje niet
Jutekei, jutekei, jutekeisasa, jutekeisasa.
Appeltje hoog in de boom
Appeltje, appeltje, hoog in de boom
Val alsjeblieft op de grond
Appeltje, appeltje, kom maar bij mij
Want je bent heel gezond
En valt er soms nog een klein appeltje mee
Dan is dat niet erg hoor - ik lust er wel twee
Appeltje, appeltje, hoog in de boom
Val alsjeblieft op de grond.
Autobus toet toet
Autobus toet toet
Autobus toet toet
We wachten nu al zeker een kwartier.
Kom je JA of kom je NEE.
We willen met z'n alle met je mee.
Toet toet.
Keteltje, dik van buik
Keteltje, dik van buik
Dit is mijn oor
En dit is mijn tuit
Als het water kookt
Dan roep ik luid
Til me op en schenk me uit.
Zie de boerin met de rokjes zwaaien
Zie de boerin met de rokjes zwaaien, rokjes zwaaien,
van je één, twee drie (2x)
Zie de boerin met d'r hoofdje draaien, hoofdje draaien,
van je één, twee drie (2x)
Zie de boerin in de plassen stampen, plassen stampen,
van je één, twee drie (2x).
In
de kelder is het donker
In de kelder is het donker,
waarom moet het donker zijn,
in de heldere maneschijn?
An-na Ma-ri-a, koek-koek!
Daantje
zou naar school toe gaan
Daantje zou naar school toe gaan,
Maar hij bleef gedurig staan.
Hier te kijken, daar te turen.
En het kan niet lang meer duren.
Dan zal 't klokje negen slaan.
Jongen, jongen, stap toch aan!
Daatje bleef te lang op straat.
Daantje kwam in school te laat.
Daarom moest hij 's middags blijven.
En een hele lei vol schrijven.
And'ren speelden, Daantje niet!
Jongen, jongen, wat verdriet!
Slaap kindje
slaap
Slaap, kindje slaap.
Daar buiten loopt een schaap.
Een schaap met witte voetjes,
dat drinkt zijn melk zo zoetjes.
Slaap, kindje slaap.
Daar buiten loopt een schaap.
Dat gaat naar Den Bosch toe
Dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve Gerritje.
Dat gaat naar Den Bosch toe,
zoete lieve meid.
Wat zullen wij daar drinken?
Zoete lieve Gerritje.
Wat zullen wij daar drinken?
Zoete lieve meid.
Brandewijn met suiker,
zoete lieve Gerritje.
Brandewijn met suiker,
zoete lieve meid.
Wie zal dat betalen?
Zoete lieve Gerritje.
Wie zal dat betalen?
Zoete lieve meid.
De eerste boer de
beste,
zoete lieve Gerritje.
De eerste boer de beste,
zoete lieve meid.
De
uil zat in de olmen
De uil zat in de olmen,
bij 't vallen van de nacht.
En achter gindse heuvel,
de koekoek roept heel zacht:
Koe-koek! Koe-koek!
Koe-koek, Koe-koek Koe-koek!
Koe-koek! Koe-koek, Koe-koek!
Wij hebben twee kleine poesjes
Wij hebben twee kleine poesjes,
met pootjes zo zacht als fluweel.
Het grijsje dat noemen we Bobbie,
die andere dikzak heet Neel,
Die andere dikzak heet Neel.
Laatst waren ze nergens te
vinden.
Toen zijn we aan het zoeken gegaan.
We keken in alle hoeken.
Waar kwamen ze denk je vandaan? (bis)
Wit Neeltje zat in de turfmand,
en Bobbie lag bij't popje in bed.
We namen ze gauw mee naar binnen,
en rolden haast om van de pret.(bis)
Klein vogelijn, op
groene tak
Klein vogelijn, op groene tak,
wat zingt g'een lustig lied!
Wij hebben in ons hele boek
zo'n vroolijk wijsje niet !
O zeg ons, zeg ons aardig beest,
wie toch uw meester is geweest.
O zeg ons, zeg ons aardig beest,
wie toch uw meester is geweest.
Zo zuiver zingt gij en zo hoog,
zo keurig in de maat.
En 't hart, dat popelt ons van vreugd,
wanneer uw keeltje gaat.
O zeg ons, zeg ons aardig beest,
wie toch uw meester is geweest.(bis)
Voorzeker 't is de goede God
die 't u heeft toebetrouwd,
opdat zij aan der blinden oor,
Zijn goedheid melden zoudt.
O ja, wij weten 't aardig beest,
dat God uw meester is geweest.(bis)
Klikspaan, boterspaan
Klikspaan, boterspaan.
Je mag niet door mijn straatje gaan.
Het hondje zal je bijten,
Het poesje zal je krabbelen.
Dat komt van al je babbelen.
|