|
Kleine krullebol
Die kleine krullebol, die had haar zakken
vol.
Met heerlijk suikergoed, dat smaakte o zo goed.
Maar toen ze snoepen wou, toen kwam de schooljuffrouw.
Die zei dat mag jij niet jij kleine deugniet.
Papegaaitje leef je nog?
Papegaaitje leef je nog? Ieja deeja.
Ja meneer ik ben er nog! Ieja deeja.
'k Heb m'n eten opgegeten.
En m'n drinken laten staan.
Ieja deeja POEF!
Roodborstje tikt
tegen het raam
Roodborstje tikt tegen 't raam, tik, tak,
tik.
Laat mij er in, laat mij erin.
Het is hier te guur en te koud naar mijn zin,
laat mij erin, tik, tak, tik.
't Meisje deed open en strooid' uit haar
schoot,
korreltjes suiker en kruimeltjes brood.
Dat was het roodborstje wel naar zijn zin.
dus vloog zij meteen het bos weer in.
Schaapje, schaapje, heb
je witte wol?
Schaapje, schaapje, heb je witte wol?
Ja baas, ja baas, drie zakken vol.
Eén voor de meester, één voor zijn vrouw.
Eén voor het kindje dat bibbert van de kou.
Schaapje, schaapje, heb je witte wol?
Ja baas, ja baas, drie zakken vol.
Bim bam beieren
Bim bam beieren, de koster lust geen
eieren.
Wat lust hij dan?
Spek in de pan!
Dat er de koster niet krijgen kan.
Hannes loopt op klompen
Hannes loopt op klompen,
Simpe, sampe, sompe.
Door de plassen dat het spat,
zijn broek en kousen worden nat.
Zijn moeder roept: 'Je laat het hoor!'
Maar Hannes stapt rustig door.
Hij laat zich niet lompen.
Simpe, sampe, sompe.
In bedje
Tikketakke tonen.
't varkentje eet geen bonen
't paardje eet wel haver
't koetje eet wat klaver
't schaapje eet het groene gras
't eendje zoekt het in de plas
't visje zwemt in 't netje.
Nu gaat 't kind naar bedje.
Dikkerie,
dikkerie, dok
Dikkerie, dikkerie, dok, de muis zat op de
klok.
De klok sloeg één en de muis brak een been.
Dikkerie, dikkerie, dok.
Schuitje
varen, theetje drinken
Schuitje varen, theetje drinken,
Varen we naar de Overtoom.
Drinken we zoete melk met room,
Zoete melk met brokken.
Kindje mag niet jokken.
Iene,
miene mutten
Iene, miene ,mutten tien pond grutten.
Tien pond kaas, iene miene mutten is de baas.
Iene, miene makken, oliebollen bakken.
Vrouw kookt brij, af ben jij.
Drie
koningen
Drie koningen, drie koningen, geef mij een
nieuwe hoed!
Mijn oude is versleten, mijn moeder mag 't niet weten.
Drie koningen, drie koningen, geef mij een nieuwe hoed!
Hansje
knipperdolletje
Hansje knipperdolletje, die zat laatst aan
de dijk.
Hij krabde aan zijn bolletje, zijn mutsje viel in 't slijk.
Daar kwam een meisje aangelopen.
Hansje, wil je je mutsje verkopen?
Nee zus, domme zus, wie verkoopt er nou zijn muts?
't
Was nacht, 't was nacht
't Was nacht, 't was nacht, 't was midden
in de nacht.
Toen hoorden we een vreselijke slag.
Het waren zeven vlooien: vier witte en drie rooie.
De rooie waren zeven meter lang en trokken vaders onderbroekje aan.
Een broek met gouden knopen, die gingen ze verkopen.
Aan wie, aan wie, aan wie?
Aan koning Willem Drie.
Opa
bakkebaard heeft een huisje
Opa bakkebaard heeft een huisje,
en in dat huisje daar is het goed.
Opa bakkebaard is aan 't werken.
En weet jij wel, wat hij doet?
Hij veegt de vloer met een bezem, met een bezem.
Hij veegt de vloer, zo veegt hij de vloer.
Naar
bed, naar bed, zei Duimelot
Naar bed, naar bed, zei Duimelot.
Eerst nog wat eten, zei Likkepot.
Waar zal ik het halen, zei Langejan.
Uit grootvaders kastje, zei Ringeling.
Dat ga ik verklappen, zei 't kleine ding.
|