|
In
holland staat een huis
In holland staat een huis.
In holland staat een huis.
In holland staat een huis ja ja.
Van je singelasingela hopsasa.
In holland staat een huis.
In holland staat een huis.
In dat huis daar woont een
heer.
In dat huis daar woont een heer.
In dat huis daar woont een heer ja ja.
De heer die kiest een vrouw.
De heer die kiest een vrouw.
De heer die kiest een vrouw ja ja.
De vrouw die kiest een kind.
De vrouw die kiest een kind.
De vrouw die kiest een kind ja ja.
Advocaatje
ging op reis, tiereliereliere
Advocaatje ging op reis,
tiereliereliere.
Advocaatje ging op reis, tierelierelom.
Met zijn hoedje op zijn arm,
tiereliereliere.
Met zijn hoedje op zijn arm, tierelierelom.
Bij een herberg bleef hij
staan, tiereliereliere.
Bij een herberg bleef hij staan, tierelierelom.
Stokvis kreeg hij bij 't
ontbijt, tiereliereliere.
Stokvis kreeg hij bij 't ontbijt, tierelierelom.
't Graatje schoot hem in zijn
keel, tiereliereliere.
't Graatje schoot hem in zijn keel, tierelierelom.
Dokter werd er bij gehaald,
tiereliereliere.
Dokter werd er bij gehaald, tierelierelom.
Maar de dokter was te laat,
tiereliereliere.
Maar de dokter was te laat, tierelierelom.
Zo ging 't advocaatje dood,
tiereliereliere.
Zo ging 't advocaatje dood, tierelierelom.
't Gras dat groeit nu op zijn
buik, tiereliereliere.
't Gras dat groeit nu op zijn buik, tierelierelom.
Zing nog eenmaal tot besluit,
tiereliereliere.
Zing nog eenmaal tot besluit, tierelierelom.
Ik
zag twee hazen
Ik zag twee hazen, vlak voor
pasen.
Samen in een weiland.
Met een mandje vol met eieren,
vlug aan het verven met z'n beiden.
Kijk eens hier, kijk eens daar alle eieren bijna klaar.
Juffrouw,
wil je je jongentje verbieden?
Juffrouw, wil je je jongentje
verbieden.
Hij komt 's avonds aan m'n deur.
Tingelingeling klop, klop klop.
Juffrouw, blief je zwavelstok.
Parapluutje,
Parasolletje
Parapluutje, parasolletje.
Het ene voor de regen.
De ander voor de zon.
Pardon!
Hompeltje
en pompeltje
Hompeltje en pompeltje, die
klommen op een berg.
Hompeltje was een kaboutertje en pompeltje een dwerg.
Ze klommen tot hoog in het topje.
En schudden, schudden met hun kopje.
Toen zijn ze in de berg gekropen,
en niemand heeft ze meer horen lopen.
Ze sliepen zachtjes op een oor.
SST, ik geloof dat ik ze hoor.
Draai
het wieletje nog eens om
Draai het wieletje nog eens
om.
Klap eens in je handjes.
Zet je handjes in je zij.
Op je hoofdje allebei.
Zo varen de scheepjes voorbij.
Zo varen de scheepjes voorbij.
Tjoep,
zegt de vlieger
Tjoep, zegt de vlieger en hij
wipt de lucht in.
Tjoep, zegt de vlieger en hij wipt omhoog.
Zie je de vlieger vliegen, alsmaar hoger vliegen.
Tjoep, zegt de vlieger en hij wipt de lucht in.
Tjoep, zegt de vlieger en hij wil OMHOOG.
Zeg
moeder waar is jan?
Zeg moeder waar is jan?
Daarginder, daarginder.
Zeg moeder waar is jan? Daarginder komt hij aan.
Waar is hij dan geweest? Bij tante, bij tante.
Waar is hij dan geweest? Bij tante op het feest.
Wat heeft hij daar gehad? Een koekje, een koekje.
Wat heeft hij daar gehad? Een koekje met een gat.
Ze
kunnen zeggen
Ze kunnen zeggen wat ze willen
maar de Olifant die
heeft de dikste billen van het hele land.
En de giraf de aller langste ne-ek.
En het nijlpaard heeft de allergrootste Be-ek.
De
olifant
Jongens, meisjes aan de kant,
want daar komt de olifant.
Grote voeten, grote oren en een lange slurf van voren.
Jongens, meisjes aan de kant, want daar komt de olifant.
Jan
mijne man wou ruiter worden
Jan mijne man wou ruiter
worden.
Jan mijne man die had geen paard.
Toen nam hij de kat en trok hem aan zijn staart.
Toen had Jan mijne man een paard.
Toen
onze mop een mopje was
Toen onze mop een mopje was,
was hij aardig om te zien.
Nu bromt hij alle dagen en bijt nog bovendien.
Waf woef waf woef, waf woef waf woef.
Nu bromt hij alle dagen en bijt nog bovendien.
|